ZOEKEN

MEER PLANTEN

Bekijk alle planten in het overzichtNaar overzicht»
Geologie van Nederland
is een initiatief van

Riet

Phragmites australis

In de grote familie van de grassen is riet een van de weinige waterliefhebbers. De grassoort is wat betreft standplaats niet kieskeurig, want hij groeit zowel op matig als zeer voedselrijke grond en in zowel zoet als brak milieu. Het enige criterium is dat de maximum afstand tussen de bovengrondse plantdelen en het grondwater niet meer dan twee meter mag bedragen. Al in de interglacialen van het Midden-Pleistoceen, toen het landijs volledig smolt, groeide er riet in natte vennen en poeltjes in ons land. Dankzij hun grote wortelstelsels met luchtkanalen groeiden deze wateren dicht en dit leidde tot verlanding.

Taxonomie

Klasse
Magnoliopsida (bloemplanten)
Orde
Poales (grasachtigen)
Familie
Poaceae (grassenfamilie)
Geslacht
Phragmites
Soort
australis

Karakterisering

Riet is een kosmopoliet. We vinden de soort langs meren en rivieren, zolang er niet te veel golfslag of stroming is. Opmerkelijk is zijn groei in een brakke omgeving. De plant kan nog leven in een milieu met maximaal een deel zoet water op twee delen zeewater. Aan waterkanten groeit riet vaak samen met andere waterplanten, zoals lisdodde. Vaak vormt hij echter ook een concurrent voor deze soorten, omdat hij zich goed in een voedselrijk milieu kan handhaven, in tegenstelling tot de meeste andere waterplanten.

 

Zo'n 6000 jaar geleden vormden de strandwallen een aangesloten gordel langs de kust. Bij doorbraken van de zee hoopte zich erachter zeewater op en ontstonden lagunes. Omdat daar rivieren in uitmondden, vond verzoeting van deze lagunes plaats. Door de kolonisatie van riet ontstonden er uitgestrekte rietveenmoerassen. Hier vervulde het riet een belangrijke ecologische functie, bijvoorbeeld als kraamkamer voor vissen en amfibieën en als nestel- en schuilplaats voor vogels. Op dode rietstengels groeiden paddestoelen en in de stengels nestelden insecten. De rietvelden waren ook een ideaal leefgebied voor otters en bevers. In het Holoceen vond veenvorming op grote schaal plaats. Venen zijn arm aan zuurstof en daardoor zeer geschikt voor de conservering van riet. Vooral van de wortelstokken zijn veel fossielen bewaard gebleven.

Uiterlijk en leefwijze

Rietplanten worden 1-3 meter lang. De rietstengels, ook wel halmen genoemd, staan stijf rechtop. Nieuwe scheuten komen in april tevoorschijn en zijn in augustus volgroeid. De bladeren aan de halmen zijn grijsgroen van kleur en hebben een ruwe rand. De bloeiwijzen van riet zijn paars- tot goudgele pluimen. Hun opbouw is ingewikkeld, net als de bloeiwijzen van andere soorten uit de grassenfamilie. Elke bloem wordt omgeven door twee schutbladen, een buitenste (lemma) en een binnenste (palea). De bloemen zitten met enkele bij elkaar in aartjes. Bij riet vinden we in elk aartje 2-6 bloemen, waarbij de onderste bloem van het aartje mannelijk is en de overige bloemen van het aartje tweeslachtig zijn. De aartjes worden net als de bloemen op hun beurt door schutbladen omgeven, hier kelkkafjes genaamd. Tezamen zijn de aartjes gerangschikt in de pluimvormige bloeiwijzen.

 

Riet bloeit van juli tot oktober. Daarna vormt het eenzadige vruchten. Riet kan zich op drie manieren uitbreiden: door middel van de zaden, via de wortelstokken en met bovengrondse uitlopers. We vinden riet op natte, meer of minder voedselrijke grond aan waterkanten waar het niet te veel hinder ondervindt van golfslag en stroming. Daarnaast groeit de plant in veenmoerassen, aan de rand van vochtige akkers, op spoordijken en in lichte moerasbossen. Riet schuwt bovendien geen brakke leefgebieden; ook in kwelders (begroeide buitendijkse landaanwassen) komt de plant voor. Door zijn grote massa wortelstokken met luchtkanalen (luchtwortels) is riet in staat te groeien op een zuurstofarm substraat, in tegenstelling tot veel andere oeverplanten.

Geografische verspreiding

Tijdens de interglacialen van het Midden-Pleistoceen groeiden in Nederland loofbossen. In de nattere gebieden groeide riet. Vooral na de laatste ijstijd werd riet in ons land zeer algemeen, vooral in de laaggelegen vochtige gebieden langs de kust. Hier heeft riet op grote schaal bijgedragen aan de opbouw van veen.

Evolutie

Fossiele pollenkorrels en grotere fossielen van vertegenwoordigers uit de grassenfamilie zijn gevonden vanaf het Paleoceen tot en met het Eoceen. Uit het Oligoceen, Mioceen en Pleistoceen zijn echter meer fossielen van grassen bekend. Riet is een grassoort waarvan relatief veel fossielen bewaard zijn gebleven, door de groei in een waterrijke, zuurstofarme omgeving. Men vindt vooral fossiele wortelstokken en in mindere mate stengelfragmenten. In Europa zijn fossielen van riet bekend vanaf het Mioceen.

Vindplaatsen in Nederland

Fossiele rietstengelfragmenten, afkomstig uit Hooge Broek bij Raalte (IJsseldal).

In de zandwinning Hooge Broek bij Raalte in het IJsseldal zijn in Pleistocene rivierafzettingen fragmenten van rietstengels gevonden. De fossielen zijn afkomstig uit het Eemien (Laat-Pleistoceen). Ze zijn opgebaggerd uit rivierafzettingen bestaande uit kiezel en zand.

 

Nederland staat bekend om zijn fraaie rieten daken op boerderijen, villa's, molens en stallen. De eerste boeren (ca. 2000 voor Chr.) bedekten hun huizen ook met riet. Helaas gaan rieten daken maar enkele tientallen jaren mee, zijn duur door hoge arbeidskosten en zijn zeer brandgevoelig.

Riet als veenvormer

Veenvorming ontstaat wanneer resten van bomen, struiken of kruiden in een zuurstofarm milieu terechtkomen. Bacteriën en schimmels kunnen de plantdelen in zo'n milieu maar met moeite verteren en daardoor hopen de halfverteerde plantenresten zich op. Aan veen is vaak nog goed te zien uit welke plantensoorten het gevormd is. Rietveen is bijvoorbeeld herkenbaar door de witgele luchtwortels. Dit type veen komt voor in ons hele kustgebied. Het ontstond in gebieden met een brak of een voedselrijk milieu, als afgestorven rietstengels door een hoge grondwaterstand in het water terechtkwamen en daar bewaard bleven. Op de dode stengels groeide weer nieuw riet. Hierdoor vormde zich na verloop van tijd een dik pakket rietveen, dat steeds droger werd. Op dit rietveenpakket werd de groei van nieuwe planten mogelijk, zoals van elzen en hazelaars. Deze soorten droegen samen bij aan een nieuwe fase in de veenvorming, die bosveen wordt genoemd.

 

- Dorien Langeveld, Naturalis

Meer informatie

»

Brandsma, O.H. 1997 Hoogwaterzone: een natuurontwikkelingsgebied voor riet- en moerasvogels in De Wieden. De Levende Natuur, nr. 2, vol. 98, pag. 51-55. 5 pagina's

»

Clevering, O.A. 1999 Vitaliteit van rietbegroeiingen. De Levende Natuur, nr. 2, vol. 100, pag. 42-45. 4 pagina's

»

Coops, H. 1999 Oeverbescherming door Riet. De Levende Natuur, nr. 2, vol. 100, pag. 46-49. 4 pagina's

»

Crepet, W. L. & G. D. Feldman, 1991. The earliest remains of grasses in the fossil record. - American Journal of Botany 62: 813-823.

»

Drost, H.J., E.J.M. van Deursen & A. Muis 1990 Begrazing van Riet door runderen en paarden in de Lauwersmeer. De Levende Natuur, nr. 3, vol. 91, pag. 68-74. 7 pagina's

»

Graveland, J. & S.H. Hosper 1999 Een dynamisch waterpeil voor rietkragen in meren en moerassen. De Levende Natuur, nr. 2, vol. 100, pag. 71-74. 4 pagina's

»

Ham, R. W. J. M. van der et al., 2007. Plant remains from the Kreyftenheye Formation (Eemian) at Raalte, The Netherlands. - Veget. Hist. Archaeobot. 17: 127-144.

»

Lauwaars, S.G. , M. Platteeuw & H.G. Schutte 2001 Op weg naar een natuurlijker Nat Hart? De Levende Natuur, nr. 5, vol. 102, pag. 242-246. 5 pagina's

»

Mulder, E. F. J. de et al., 2003. De ondergrond van Nederland. - Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. 379p.

»

Muller, J., 1981. Fossil pollen records of extant angiosperms. - The Botanical Review 47: 1-142.

»

Redactie 1999 Het belang van Riet in meren en moerassen. De Levende Natuur, nr. 2, vol. 100, pag. 40-41. 2 pagina's

»

Tidwell, W. D. & E. M. V. Nambudiri, 1989. Tomlinsonia thomassonii, Gen. et Sp. Nov., a permineralized grass from the Upper Miocene Ricardo Formation, California. - Review of Palaeobotany and Palynology 62: 79-95.

»

Thomasson, J. R., 1978. Observations on the characteristics of the lemma and palea of the late Cenozoic grass Panicum elegans. - American Journal of Botany 65: 34-39.

Auteurs

  • Dorien Langeveld

Meer planten