Bij het zien van deze grote, dunschalige spoelvormige slakkensoort zou je niet denken dat het om een Nederlandse soort gaat. Hij is weliswaar uitgestorven, maar de slak lijkt in niets op wat je op het strand zou verwachten. Toch kan je deze soort op een aantal stranden in Zeeland vinden. Scaphella lamberti is een grote Pliocene soort, die uitstierf met de aanvang van de eerste zware ijstijden, zo'n 2,6 miljoen jaar geleden.
De grootste exemplaren zijn tot vijftien centimeter hoog. De top van deze dunschalige spoelvormige soort is opvallend plomp en groot. Op ietwat onregelmatige groeilijntjes na is het slakkenhuis glad. De soort heeft zo'n zes windingen: opeenvolgende windingen liggen strak tegen elkaar en benadrukken daarmee het gladde uiterlijk van de schelp. De schelp heeft een vrij grote mondopening. Op de spil liggen drie of vier plooien, waardoor de spil op een kurkentrekker lijkt.
Waarschijnlijk heeft S. lamberti rondgekropen op of in zandige en modderige zeebodems, op zoek naar voedsel. Vermoedelijk was het een aaseter. Scaphella-soorten komen tegenwoordig alleen in tropische en subtropische zeeën voor, maar fossiele soorten hebben ook in warm-gematigde zeeën geleefd. Levende verwanten komen voor in de tropische Atlantische Oceaan tot aan de Golf van Mexico en worden tot op enkele honderden meters diepte gevonden.
Scaphella lamberti is bekend uit Pliocene afzettingen, van het Noordzeegebied in het noorden tot de westelijke Middelandse Zee in het zuiden.
De soort is alleen bekend uit het Plioceen.
De Europese Scaphella-soorten zijn waarschijnlijk ontstaan uit een voorganger die tijdens het Krijt in de Tethyszee leefde. Sinds het Paleoceen komt het geslacht ononderbroken voor in Noordwest-Europa. Scaphella lamberti is geëvolueerd uit de slankere S. bolli uit het Mioceen.
Scaphella lamberti is vooral bekend uit de Westerschelde en aanliggende stranden, zoals de Kaloot bij Borssele en van het strand van Domburg. Hij spoelt sporadisch bij Cadzand aan. De soort werd in het verleden vaak gevonden op de schelpenbergen die uit de Westerschelde waren gevist voor kalkbranderijen, zoals in Den Briel en in Yerseke. Gruis dat uit de slakkenhuizen van deze grote soort wordt geklopt bevat vaak vele interessante kleinere Pliocene schelpensoorten. Net over de grens in het Antwerpse havengebied zijn grote exemplaren van deze opvallende soort nogal eens te vinden op vlakten waar zand uit de havendokken is gestort. Fossielhoudende Pliocene zanden komen daar op geringere diepte voor dan bij ons.